kamalbergman.nl Kort verhaal In de rubriek: Kent u dit?

In de rubriek: Kent u dit?

Met een flinke dosis positief welzijn begin je aan de dag. Net voor en na het tandenpoetsen fluit je een vrolijk deuntje. Het deuntje herinnert je aan iets, maar je weet niet meer precies wat. Het maakt ook niet uit. Je kijkt naar jezelf in de spiegel, beweegt je wenkbrauwen op en neer en trekt wat vreemde gezichten. Het haalt je even uit de sleur. Iets anders, iets positiefs.

Het wordt een mooie dag. Dat weet je zeker. Het ontbijt smaakt heerlijk; de geur van koffie had je lichaam al aangezet voordat je een slok nam. Deze dag zou fantastisch worden.

Je trekt je kleren nog een keer recht. Je zit goed in je vel. Als je in de auto stapt, komen zonnestralen door je voorruit recht op je goedgezinde pannetje. Deze dag kan niet verpest worden. Dat kan gewoon niet.

En dan draai je de weg op. Het eerste obstakel, zo mag je het best noemen, is het eerste stoplicht. Groen, groener — je gaat dit zeker halen — oranje. Je moet stoppen. Dat kan gebeuren. Niks aan de hand. Het is maar een krakkemikkig stoplicht. Je laat je dag daardoor niet verpesten. Tuurlijk niet, de optimistische goeroe zelve.

Je trekt op, maar aan de overkant gaat net een vrouwtjeseend met haar 88 baby’s de straat over. Je wacht geduldig. Je bent op tijd weggegaan, er is nog zat tijd. Tijd zat. Goh, wat een mooie natuur, denk je nog. Fijn, wat een mooie buurt. Heerlijk.

Nadat de eenden veilig over zijn en jij je natuurgedachte hebt laten varen, trek je snel op om in dat heerlijke tempo te komen. In dat hoopgevende, heerlijke tempo. Net voordat je de snelweg op kunt, is er nog een stoplicht. Die haal je makkelijk. Maar een oud echtpaar dat net het groen had gemist, aarzelingen had om te gaan, ging toch over. Stapje voor stapje, voetje voor voetje.

“Gaat het, Hendry?”
“Ja, Marjolein, het gaat. Wat een mooi weer, hè?”

Even staan ze stil om van de zon te genieten. Het decorum half verdwenen denken zij niet na over eventuele mensen in auto’s. Zij nemen hun goddelijke tijd.

Daar komt de eerste wat negatievere gedachte. Heel snel. Uit het niets. Van heel diep, zo langs je frontale kwab naar je achterhoofdskwab. Je begon wat troebel te zien. Heel even maar. Natuurlijk wacht je geduldig en zwaai je nog even, om beleefd en fatsoenlijk te zijn.

Gelukkig. Je draait richting de snelweg. Heerlijk van 0 naar 100 km in 12 seconden. Gas erop. Mooi weer, heerlijk leven, prachtige familie en alles op de rit. Dan wil je invoegen. Maar zeven vrachtwagens houden alles vast. Helemaal vast. Je rijdt helemaal door en kunt dan nog niet invoegen. Een Mini houdt net dat ene plekje bezet waar jij wel ruimte ziet. Dan sla je voor de eerste keer op je stuur. Uit het niets. Woede. Kwaadheid. Je mompelt: godverdomme. Je scheldt nog wat.

Je wacht geduldig af. Het gekwebbel waar je net geïnteresseerd naar luisterde, gaat je tegenstaan. Trump dit, Trump dat, oorlog hier, oorlog daar. Nou, the fuck, en? Je voelt langzaam maar heel zeker dat het hoopvolle uit je lijf wordt gedrukt. Je kunt weer en gaat vol gas de weg op.

Je ziet op je scherm dat er op de A1 file is richting Amsterdam. Je kiest ervoor om tussendoor te gaan, langs Harderwijk. Mooi, van die drukte af.

Als je de afrit af bent, is het open. Geen auto te zien. Je geniet weer van de natuur en van je auto. Dat heerlijke gevoel van controle en beweging. De motie. Fijn. Het doet je denken aan sport op zondagmiddag, dat soms soepel gaat als je in de winnende modus bent beland.

Maar — en je ziet het al — bij de eerste rotonde staat zo’n kutvrachtwagen rustig aan te doen, met acht auto’s daarachter. Je hebt geen keus. Je moet wel. Zo’n twintig kilometer achter die vrachtwagen. Onbewust pak je het stuur wat harder vast. Je krijgt zweterige handjes en je hartslag gaat omhoog. Op de radio speelt een opzwepend muziekje dat je intern steeds meer opwindt. Je gedachten gaan sneller en je bloed stroomt als een malle. Bewust probeer je te rationaliseren. Het valt wel mee. Ik ben er zo. Ik kan zo inhalen.

Je haalt er één in met een levensgevaarlijke stunt. Nog zeven en die vrachtwagen. Je ziet in de verte dat een boer met zijn tractor nog vóór de vrachtwagen de weg op gaat. Iedereen gaat verder in de remmen en je staat nu bijna stil. Godver, de tyf… de… puh… Alle opgewektheid is uit je lichaam geslagen en je bent een brok vurig, afbrekend vernuft.

Heel langzaam verstoort je realiteitszin. Je fluistert jezelf toe dat de overheid dit doet om je tegen te houden, dat lantaarnpalen het op je gemunt hebben, dat in al die andere auto’s mensen zitten die door de gemeente zijn gestuurd om je boos te maken. Net voordat je helemaal gek wordt, gaan de tractor en vrachtwagens rechtsaf en krijgt het eindelijk wat vaart.

Je gedachten worden iets helderder. Je zet een raam open om wat frisse lucht toe te laten. Je bent helemaal kapot. Er hoeft nog maar één ding te gebeuren en dan schiet je uit je slof. Door het bos, rechtsaf naar Harderwijk. Je weet dat hier meerdere stoplichten zijn. Zullen ze je een mooie doorvoer gunnen?

Nee. Allemaal gaan ze, net als jij denkt dat het wél lukt, op oranje. Bij het laatste stoplicht sla je op je dashboard en zo hard op je stuur dat de airbag eruit komt. Verbaasd zit je te kijken naar je eigen gedrag. Er is geen controle meer. Je stapt bij het rode stoplicht uit, loopt langs andere auto’s naar voren en klimt in de paal van het stoplicht. Je probeert de paal op te kauwen. Je bijt en je bijt, totdat je een paar handen om je heen voelt die je in een busje stoppen.

De volgende ochtend word je wakker. Je herinnert je niets meer. Je vrouw legt uit dat je medicatie hebt gehad om je rustig te krijgen. Ze vertelt dat je meerdere tanden bent verloren en dat je agenten agressief hebt benaderd. Je zei:
“En de dag begon nog wel zo mooi. Wist je dat wij jonge eendjes in de buurt hebben, schat.”

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Related Post